spoed

Hulpverleners verspreid over heel België verzamelen voortaan data in een Europees register om de zorg voor patiënten met een ernstig trauma te verbeteren.  Een dertigtal Belgische ziekenhuizen stapten al in het project en leren nu uit ervaringen van elkaar. ‘Je collega’s  laten meekijken vergt moed, maar het helpt vooral  om doorheen de hele keten verbetermogelijkheden te vinden.’

Francois Pitance
Dr. Francois Pitance
Anesthesist-intensivist in het Centre Hospitalier Régional de la Citadelle
Guy Putzeys
Dr. Guy Putzeys
Orthopedisch chirurg in het traumacentrum van het AZ Groeninge, ondervoorzitter van het BTRI
Sabine Lemoyne
Dr. Sabine Lemoyne
Spoedarts in het UZA, voorzitter van het BTRI

Hoeveel mensen in België lopen, bijvoorbeeld door een auto-ongeval, een geweldsdelict of een val, een ernstig trauma op? Op welke manier worden zij doorheen de hele zorgketen geholpen, vanaf het ambulancevervoer tot en met de revalidatie achteraf? En wat leren we daaruit om de traumazorg te verbeteren? ‘Om die vragen te beantwoorden, hebben we met een aantal spoedartsen en chirurgen eind 2022 de vzw Belgian Trauma Registration Initiative (BTRI) opgericht’, zegt dr. Sabine Lemoyne, spoedarts in het UZA en voorzitter van de vereniging. ‘Het is baanbrekend dat het afgelopen jaar al 30 Belgische ziekenhuizen meewerkten om hun data in één systeem in te voeren, zonder dat dit vanuit de overheid komt of vergoed wordt.’

Welke gegevens houden de deelnemende ziekenhuizen bij?

Sabine Lemoyne: ‘We werken met het register van de Deutsche Gesellschaft für Unfallchirurgie (DGU) zodat we ook met andere Europese landen kunnen vergelijken. De data bestaan uit anoniem gemaakte patiëntengegevens doorheen de hele zorgketen. Over welk type trauma, welke letsels, gaat het? Wat was de oorzaak? Hoelang duurde het voor de patiënt in het ziekenhuis was? Wanneer werd er een echografie of CT-scan gemaakt? Welke operaties volgden? Hoelang verbleef de patiënt op welke afdeling? Welke complicaties en welke revalidatie volgde daarna? Enzovoort.’

Hoe helpen die gegevens om de zorg voor de patiënt beter te maken?

Francois Pitance: ‘Het is zeer leerrijk om na te gaan welke methodes het best werken. Op basis van objectieve cijfers kan je met collega’s bespreken wat de optimale behandeling is. Bij deze case zien we een uitzonderlijk lange opnameduur. Hoe komt dat? Daar kunnen goede redenen voor zijn: elke patiënt en elke situatie is anders. Maar door alternatieven te bekijken, leren we van elkaar. We noemen ons niet voor niets een zelflerend netwerk. Die aanpak heeft al tot verschillende verbeteringen geleid. Patiënten met een bekkentrauma worden nu veel frequenter dan vroeger met een bekkenband beschermd bij het vervoer naar het ziekenhuis. En bij patiënten met een borstkasletsel vermijden we longproblemen door vaker een epidurale katheter met pijnstilling te gebruiken.’

Patiënten met een bekkentrauma worden nu veel frequenter dan vroeger met een bekkenband beschermd bij vervoer naar het ziekenhuis.

Wat waren de grootste obstakels bij het opzetten van een registratiesysteem?

Guy Putzeys: ‘De opdracht is tweeledig. Ten eerste wil je zo veel mogelijk verschillende partners in hetzelfde register laten werken. De wetenschappelijke vakverenigingen van de spoedartsen en van de chirurgen (BeSEDiM en BOTA, nvdr,) zaten gelukkig al snel op één lijn. Ten tweede wil je dat je ook zo veel mogelijk analyses van je data kan maken. Dat laatste is nog een probleem. Eigenlijk hebben we twee à drie fulltime data-analisten nodig om de data te controleren en te analyseren, maar het ontbreekt ons aan werkingsmiddelen. Voorlopig behelpen we ons met een beperkt aantal analyses die onze Duitse collega’s voor ons maken. Tegelijk willen we ook nog meer ziekenhuizen overtuigen om aan het register mee te werken. Aanmelden in het register is zeer betaalbaar. Het kost vooral tijd, in een periode waarin zorginstellingen zwaar onder druk staan.’

Is het als arts moeilijk om al die data over je werk open en bloot met de deelnemende spoedartsen en chirurgen te delen?

Sabine Lemoyne: ‘In het UZA zijn we in 2016 onze gegevens beginnen te delen. Je collega’s laten meekijken vergt moed, maar het helpt vooral om doorheen de hele keten verbetermogelijkheden te vinden. Het is heel belangrijk om in dat proces niet op de man maar op de bal te spelen. Het draait om de analyse van een situatie, en niet van de individuele behandelaars. Traumazorg is een teamgebeuren, waarbij je elkaar moet vertrouwen. Elk schakeltje van de ketting moet in elkaar passen. Het register helpt daar perfect bij. Wat je niet meet, blijft een gevoel en kan je niet hard maken. Maar als je cijfers hebt, kan je objectief vergelijken en nagaan wat de beste aanpak is.’ 

Elk schakeltje van de ketting moet in elkaar passen.

Wijzen de nieuwe cijfers ook nuttige informatie aan voor beleidsmakers? 

Guy Putzeys: ‘Zeker. Tot hiertoe baseren we ons in België op buitenlandse cijfers om te bepalen hoeveel traumacentra er nodig zijn per regio of aantal inwoners. Met eigen cijfers kan dat veel accurater. Onze analyses verbeteren de zorg voor patiënten op een zo efficiënt mogelijke manier. We kunnen ook nagaan met welke letsels patiënten naar een supraregionaal traumacentrum zoals het AZ Groeninge moeten, en met welke letsels dat misschien toch niet hoeft. Maar onze cijfers zijn ook voor andere beleidsdomeinen interessant. Tot hiertoe had bijvoorbeeld niemand cijfers over hoe vaak ernstige ongevallen met een elektrische step of fiets voorkomen. Ook dat soort informatie maakt het register beschikbaar.’

Scoren we in België beter of slechter dan andere landen op het vlak van traumazorg?

Francois Pitance: ‘Globaal bekeken heb je hier als patiënt weinig om over te klagen. Sommige geregistreerde tijden zijn wat korter of langer, maar de zorgsystemen zijn in andere landen ook anders georganiseerd. Verdere analyse moet uitwijzen wat dat soort afwijkingen betekenen. In 2022 telden onze 30 centra ongeveer 2000 patiënten met een ernstig trauma. Maar zolang registraties niet verplicht zijn, blijven de cijfers onvolledig. Er zijn ook verschillen binnen België. Een patiënt vanuit een Ardens bos naar een traumacentrum brengen, duurt langer dan van ergens in het verstedelijkte Vlaanderen. We zijn nog onze eerste stappen aan het zetten. Naarmate we nog meer centra meekrijgen, kunnen vergelijken met de voorgaande jaren en onze data met input uit andere databases kunnen aanvullen, worden er nog veel boeiendere analyses mogelijk.’ 

Aangemaakt op
Laatste update op