Spoorzoeken in het forensisch DNA-lab

In het forensisch DNA-laboratorium, een onderdeel van het Centrum voor Gerechtelijke Geneeskunde, gaan Els Jehaes en haar medewerkers op zoek naar DNA-sporen in criminele zaken. Ook verwantschapsonderzoek is een van hun taken.

9 uur. ‘Op mijn bureau ligt zoals elke morgen een stapel verslagen van mijn collega’s-deskundigen klaar om na te lezen. In opdracht van het gerecht onderzoeken wij allerlei stukken: de kledij van een verdachte of een slachtoffer, wapens, andere voorwerpen, stukken tapijt … Concreet gaan we op zoek naar biologisch materiaal zoals bloed, speeksel of sperma waarvan we een DNA-profiel kunnen bepalen om te vergelijken met het DNA van een verdachte. Ik ga snel aan de slag.’ 

10:30 uur. ‘Teamvergadering. In ons lab werken een tiental mensen. Tijdens de vergadering bespreken we de lopende dossiers. Ook de accreditatie is een vast onderwerp: om voor het gerecht te mogen werken, moeten we aan een hele reeks kwaliteitsvoorwaarden voldoen en dat blijft altijd een aandachtspunt.’ 

11 uur. ‘Ik duik het laboratorium in. Samen met laborante Nadia Mommers onderzoek ik binnengekomen stukken, waar nodig ook onder de microscoop. Met een heel sterk scheerlicht kunnen we verborgen details zien – bloedsporen onder het heft van een mes bijvoorbeeld. Sperma kunnen we ook zichtbaar maken door middel van een speciale lichtbron. Bloed, sperma en speeksel bevatten het meeste DNA. Vinden we die niet, dan gaan we op zoek naar haren of naar contactsporen zoals huidcellen bijvoorbeeld. We maken een uitgebreide beschrijving van alles wat we vinden.’ 

‘Vervolgens knippen we de sporen uit of brengen ze over op een steriele wisser. De laboranten halen het DNA uit de cellen en meten de hoeveelheid. We maken geen volledig DNA-profiel – dat is onbegonnen werk – maar gaan op zoek naar bepaalde stukjes waar het DNA zichzelf herhaalt, alsof het stottert. Die stukjes (STR’s of short tandem repeats) zijn bij elke persoon anders. Als een verdachte dezelfde STR’s heeft als een spoor, dan is de kans dat dat spoor toch van iemand anders komt kleiner dan 1 op de hele wereldbevolking. Zo schrijven we dat dan ook in ons verslag.’ 

13:15 uur. ‘Een laborante komt mij melden dat een van de kwaliteitscontroles niet oké is. Mag ze doorgaan met haar onderzoek, of niet? Ik beoordeel de situatie en beslis dat de afwijking geen invloed kan hebben. Ik zorg wel voor een melding in ons kwaliteitssysteem zodat we kunnen opvolgen of het probleem zich nog vaker voordoet. Ik maak van de gelegenheid gebruik om snel iets te eten en duik nadien terug het lab in.’

14:50 uur. ‘Om 15 uur beginnen mijn consultaties voor het verwantschapsonderzoek. Ook dat gebeurt meestal op bevel van een rechter. Het eerste dossier is een alimentatiekwestie, waarbij de vader ontkent dat de baby zijn kind is. We vragen altijd dat de betrokkenen samen langskomen, tenzij dat echt niet kan. Zo hebben we meer zekerheid dat iedereen is wie hij zegt te zijn. We hebben eens een vader gehad die een vriend had gestuurd … We controleren altijd uitgebreid de identiteitspapieren en nemen ook een foto en vingerafdrukken. Het DNA halen we uit speekselstalen.’

18:00 uur. ‘De laatste van vijf consultaties zit erop. Het was best vermoeiend. Heel vaak hebben die mensen er nood aan om hun verhaal eens te doen, en ik vind dat ik dan ook moet luisteren. Het menselijk contact is een fijne afwisseling met mijn ander werk, al gaat het vaak om heel schrijnende situaties. Dubbellevens hebben we ook al meegemaakt: een man die onverwacht sterft en opeens twee weduwen blijkt te hebben, allebei met kinderen. Gelukkig was het vandaag minder spectaculair.’ 

18:15 uur. ‘Ik werk nog snel mijn presentatie af voor de assisenzaak morgen. Zo’n vier of vijf keer per jaar worden wij opgeroepen als getuige. Vanavond kan ik natuurlijk nog opgeroepen worden. De politie kan immers ook ’s avonds en in het weekend stalen komen afleveren. Meestal gaat het dan om verkrachtingsdossiers, en dat bewijsmateriaal kan zomaar niet blijven liggen.’

Bron: maguza.be