Kinderarts
- verschenen in magUZA # 66
- oktober 2006
Waarom kiezen voor pediatrie?
Voor Wojciechowski was het liefde op het eerste gezicht. Tijdens zijn eerste stage op een dienst pediatrie, wist hij "dit is het".
'Het is een vak van uitersten', vindt hij. 'Enerzijds is er geen andere specialiteit waarin je de patiënt zoveel liefdevolle zorg geeft - een volwassen patiënt zie ik mezelf op een moeilijk moment geen knuffel geven -, anderzijds ben je als kinderarts voor de diagnose enorm afhankelijk van je hoofd en handen. Technische onderzoeken vermijd je bij een kind zoveel mogelijk. Verder is het gewoon fantastisch om met kinderen te werken. Als ik kan delen in hun wereld tussen realiteit en fantasie, is mijn dag goed.' Bij Van Hoeck groeide de belangstelling voor het vak geleidelijk tijdens zijn opleiding. Gaandeweg besefte hij dat hij het zoeken naar een oorzaak hem beter lag dan chirurgie.
'Detective spelen, zeg maar. Met die instelling beland je vanzelf in de interne geneeskunde. Wat me daarnaast specifiek in de pediatrie aansprak, was dat het een breed domein is en dat je er uitsluitend in contact komt met 'echte' ziekten. Aandoeningen die niet samenhangen met bijvoorbeeld een ongezonde levensstijl, maar die die kinderen gewoon overkomen. Dat maakt het zo onrechtvaardig.'
Carrièreverloop
Tijdens zijn specialisatie deed Van Hoeck wetenschappelijk onderzoek naar groeistoornissen bij kinderen met nierfalen. De combinatie kinderen en nierziekten beviel hem zo, dat hij resoluut voor die richting koos. Na eerst gewerkt te hebben in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht kon hij in 1997 in het UZA beginnen als kindernefroloog.
Wojciechowski was eerst een twintigtal jaar pediater in het - toen nog - Dodoensziekenhuis in Mechelen. Hoewel hij er met plezier werkte, nam hij in 2002 het aanbod om als algemeen kinderarts in het UZA te beginnen 'met beide handen en voeten' aan.
'Ik was toen al een aantal jaar consulent in het UZA, en had de rijkdom ervaren van te kunnen samenwerken met mensen die aan de top van hun specialiteit staan. Zoiets heb je alleen in een universitair ziekenhuis.'
Pediatrie in derdelijnsziekenhuis
Als kinderartsen in een derdelijnsziekenhuis komen de twee voornamelijk in contact met patiëntjes met ingewikkelde, vaak aanslepende problemen. Een kind met nierproblemen dat ook een longontsteking ontwikkelt bijvoorbeeld, of dat te vroeg geboren is. Van Hoeck ziet als nefroloog voornamelijk kinderen met aangeboren nierafwijkingen, een later opgelopen nierbeschadiging en infecties aan de nieren. Sommige kinderen zijn aan de nierdialyse in afwachting van een transplantatie.
Wat niet wegneemt dat de deur ook openstaat voor kinderen met 'gewone' ziekten.
Taken
Het grootste deel van de dag zijn ze bezig met patiëntenzorg. Ook studenten begeleiden en vergaderen hoort erbij. En dan zijn er nog de administratie, het invullen van dossiers, opzoekwerk, brieven schrijven...
Kinderen geen moeilijke patiënten
Dat kinderen, en dan met name heel kleine kinderen, niet kunnen zeggen wat er scheelt, maakt de diagnosestelling er niet gemakkelijker op.
Van Hoeck: 'Daarom moet je altijd een volledig lichamelijk onderzoek doen en duurt een consultatie al gauw twintig minuten. Maar daar staat tegenover dat kinderen nog maar weinig vet hebben. Je hoort veel beter de geluiden in hun hart, longen en buik.'
Gespartel en huilbuien horen erbij. Al zijn kinderen zeker geen moeilijke patiënten, vindt Van Hoeck.
'Als je tegen een volwassene zegt dat hij moet stoppen met alcohol, doet hij dat waarschijnlijk niet. Een kind luistert wel naar je. Wel is het belangrijk voor de therapietrouw dat het begrijpt waarom iets moet. Daarom investeren we veel tijd en geld in educatieve hulpmiddelen, zoals kleurrijke kaftjes en CD-roms waarin een ziekte eenvoudig wordt uitgelegd. Ook de ouders moeten we bij wijze van spreken rond onze vinger winden. Een dertigjarige patiënt die blijft roken, brengt alleen zichzelf in gevaar. Met een moeder die de zin van een pilletje niet inziet, ligt dat anders. Die moeder is als het ware onze arm waarmee we moeten werken.'
'Wederzijds vertrouwen is de basis van ons werk. Maar zoiets weet je niet vooraf. Soms klikt het gewoon niet, vinden ouders je bijvoorbeeld een slechte arts omdat je niet altijd medicijnen voorschrijft', zegt Wojciechowski.
Geen koele doktersrelatie
De relatie tussen een kinderarts enerzijds en de patiënt en zijn familie anderzijds is veel meer dan een koele doktersrelatie. Door de jaren groeit er vaak een hechte vertrouwensband. Al bewaren de twee ook bewust een zekere afstand.
'De ouders een schouderklopje geven, eens iets vertellen over je eigen kinderen... Dat moet kunnen. Maar je wordt nooit een tweede vader of nonkel, hé', vindt Wojciechowski.
Van Hoeck: 'Sommige patiënten geven een feest als ze een jaar getransplanteerd zijn, en dan word ik wel eens uitgenodigd. Dan ga ik met plezier, maar wel als arts. Ik hou altijd in mijn achterhoofd dat het opnieuw fout kan gaan. Dan moet je dat kunnen melden met de autoriteit van een arts, niet als een vriend die zelf staat te snotteren.'
Menselijk leed
Slechte prognoses, tot en met een slechte afloop, horen bij hun werk. Van Hoeck maakt het regelmatig mee.
'Het is geen wonder dat veel kindernefrologen na een paar jaar stoppen. Ons werk kun je vergelijken met dansen op het hoogste koord, zonder vangnet. Als je valt, is het een ongelooflijk drama. Op dat moment ben je blij dat je in een team werkt, zodat je de miserie samen kunt dragen. Vooral als je een slechte afloop niet begrijpt, als een ziekte je ontglipt is, ben je daar kapot van.'
Maar temidden van dat leed staan Wojciechowski en Van Hoeck vooral versteld van de kracht en relativeringszin die patiënten en hun familie kunnen opbrengen.
'Ik word zelden ontroerd door verdriet, veel vaker door de draagkracht en de moed die veel ouders en kinderen tonen', merkt Van Hoeck op. Als kinderarts hebben ze ook zelf anders tegen lijden en handicaps leren aankijken.
'Neem nu een kindje met een zware hersenbeschadiging dat helemaal verlamd is, niet kan spreken en sondevoeding krijgt', zegt Wojciechowski. 'Op het eerste gezicht begrijp je niet hoe leven op die manier mogelijk is. Maar op de duur bekijk je die kinderen met een andere bril. Na een paar consultaties merk je bijvoorbeeld dat dat kind tot rust komt omdat het je kent, of dat het glimlacht als je het over de bol aait. Ook daar vind je rijkdom van leven.' 'Je ziet ook dat de meeste ouders daar vroeg of laat mee verzoend raken. Niemand vindt het erg dat een gezonde baby van vier weken nog niet glimlacht of speelt. De ouders houden zielsveel van die baby en genieten ervan hem te koesteren. Wel, die mensen leren om dat verwachtingspatroon vast te houden', vult Van Hoeck aan.
Hoogtepunten
Gelukkig overwegen de blije momenten.
'Als je als team een ziekte hebt kunnen verslaan, is dat prachtig. Elke geslaagde niertransplantatie is een feest', zegt Van Hoeck.
Hij herinnert zich een patiëntje van wie de familie na twee mislukte niertransplantaties te horen kreeg dat een transplantatie wellicht nooit zou lukken.
'En toen kregen we daar een superaanbod, een donornier waarvan alle zes weefselkenmerken overeenstemden met die van de patiënt. Een kans van één op een paar miljard. Die transplantatie is gelukt. Dat beschouw ik nog altijd als een van de absolute hoogtepunten in mijn loopbaan.'
Gevraagd wat voor hem hoogtepunten zijn, aarzelt Wojciechowski.
'Ik zie niet één maar honderden hoogtepunten. Een geslaagde diagnose of behandeling, een leuke opmerking van een kind... Mijn werk is mijn leven. Ik heb zelfs moeite met het woord werk.'
Patiënt loslaten
Kleine kinderen worden groot, ook als ze een chronische ziekte hebben. Een laatste consultatie - vanaf achttien jaar neemt de internist het over - roept vaak gemengde gevoelens op.
Van Hoeck: 'Die patiënt moet je echt afgeven. Hij heeft nog altijd zorg nodig, maar die ga jij niet langer geven. Intussen hebben die tieners een lief of zitten ze op de universiteit. Fantastisch natuurlijk. Maar tegelijk is het een beetje triest om 'jouw' kind te moeten loslaten.'
Om kinderarts te worden studeer je zeven jaar geneeskunde, gevolgd door een specialistenopleiding van vijf jaar. Tijdens die opleiding werk je in stagedienst als geneesheer-specialist in opleiding (GSO) bij een of meerdere gevestigde pediaters.
Om te garanderen dat elke kandidaat een brede opleiding krijgt, zijn er een aantal minimumvereisten, zoals een bepaald aantal maanden werken in de algemene pediatrie, met pasgeborenen en in een kraamkliniek.
Kinderartsen in spe volgen ook een interuniversitaire cursus, waarvan ze aan het eind theoretische examens afleggen. Ook opzoekwerk, zelfstudie, het geven van voordrachten, stafvergaderingen en het publiceren van een wetenschappelijk artikel maken deel uit van de opleiding.
Geneeskunde studeren kun je onder meer aan de Universiteit Antwerpen. Meer info op www.universiteitantwerpen.be
Voor Wojciechowski was het liefde op het eerste gezicht. Tijdens zijn eerste stage op een dienst pediatrie, wist hij "dit is het".
'Het is een vak van uitersten', vindt hij. 'Enerzijds is er geen andere specialiteit waarin je de patiënt zoveel liefdevolle zorg geeft - een volwassen patiënt zie ik mezelf op een moeilijk moment geen knuffel geven -, anderzijds ben je als kinderarts voor de diagnose enorm afhankelijk van je hoofd en handen. Technische onderzoeken vermijd je bij een kind zoveel mogelijk. Verder is het gewoon fantastisch om met kinderen te werken. Als ik kan delen in hun wereld tussen realiteit en fantasie, is mijn dag goed.' Bij Van Hoeck groeide de belangstelling voor het vak geleidelijk tijdens zijn opleiding. Gaandeweg besefte hij dat hij het zoeken naar een oorzaak hem beter lag dan chirurgie.
'Detective spelen, zeg maar. Met die instelling beland je vanzelf in de interne geneeskunde. Wat me daarnaast specifiek in de pediatrie aansprak, was dat het een breed domein is en dat je er uitsluitend in contact komt met 'echte' ziekten. Aandoeningen die niet samenhangen met bijvoorbeeld een ongezonde levensstijl, maar die die kinderen gewoon overkomen. Dat maakt het zo onrechtvaardig.'
Carrièreverloop
Tijdens zijn specialisatie deed Van Hoeck wetenschappelijk onderzoek naar groeistoornissen bij kinderen met nierfalen. De combinatie kinderen en nierziekten beviel hem zo, dat hij resoluut voor die richting koos. Na eerst gewerkt te hebben in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht kon hij in 1997 in het UZA beginnen als kindernefroloog.
Wojciechowski was eerst een twintigtal jaar pediater in het - toen nog - Dodoensziekenhuis in Mechelen. Hoewel hij er met plezier werkte, nam hij in 2002 het aanbod om als algemeen kinderarts in het UZA te beginnen 'met beide handen en voeten' aan.
'Ik was toen al een aantal jaar consulent in het UZA, en had de rijkdom ervaren van te kunnen samenwerken met mensen die aan de top van hun specialiteit staan. Zoiets heb je alleen in een universitair ziekenhuis.'
Pediatrie in derdelijnsziekenhuis
Als kinderartsen in een derdelijnsziekenhuis komen de twee voornamelijk in contact met patiëntjes met ingewikkelde, vaak aanslepende problemen. Een kind met nierproblemen dat ook een longontsteking ontwikkelt bijvoorbeeld, of dat te vroeg geboren is. Van Hoeck ziet als nefroloog voornamelijk kinderen met aangeboren nierafwijkingen, een later opgelopen nierbeschadiging en infecties aan de nieren. Sommige kinderen zijn aan de nierdialyse in afwachting van een transplantatie.
Wat niet wegneemt dat de deur ook openstaat voor kinderen met 'gewone' ziekten.
Taken
Het grootste deel van de dag zijn ze bezig met patiëntenzorg. Ook studenten begeleiden en vergaderen hoort erbij. En dan zijn er nog de administratie, het invullen van dossiers, opzoekwerk, brieven schrijven...
Kinderen geen moeilijke patiënten
Dat kinderen, en dan met name heel kleine kinderen, niet kunnen zeggen wat er scheelt, maakt de diagnosestelling er niet gemakkelijker op.
Van Hoeck: 'Daarom moet je altijd een volledig lichamelijk onderzoek doen en duurt een consultatie al gauw twintig minuten. Maar daar staat tegenover dat kinderen nog maar weinig vet hebben. Je hoort veel beter de geluiden in hun hart, longen en buik.'
Gespartel en huilbuien horen erbij. Al zijn kinderen zeker geen moeilijke patiënten, vindt Van Hoeck.
'Als je tegen een volwassene zegt dat hij moet stoppen met alcohol, doet hij dat waarschijnlijk niet. Een kind luistert wel naar je. Wel is het belangrijk voor de therapietrouw dat het begrijpt waarom iets moet. Daarom investeren we veel tijd en geld in educatieve hulpmiddelen, zoals kleurrijke kaftjes en CD-roms waarin een ziekte eenvoudig wordt uitgelegd. Ook de ouders moeten we bij wijze van spreken rond onze vinger winden. Een dertigjarige patiënt die blijft roken, brengt alleen zichzelf in gevaar. Met een moeder die de zin van een pilletje niet inziet, ligt dat anders. Die moeder is als het ware onze arm waarmee we moeten werken.'
'Wederzijds vertrouwen is de basis van ons werk. Maar zoiets weet je niet vooraf. Soms klikt het gewoon niet, vinden ouders je bijvoorbeeld een slechte arts omdat je niet altijd medicijnen voorschrijft', zegt Wojciechowski.
Geen koele doktersrelatie
De relatie tussen een kinderarts enerzijds en de patiënt en zijn familie anderzijds is veel meer dan een koele doktersrelatie. Door de jaren groeit er vaak een hechte vertrouwensband. Al bewaren de twee ook bewust een zekere afstand.
'De ouders een schouderklopje geven, eens iets vertellen over je eigen kinderen... Dat moet kunnen. Maar je wordt nooit een tweede vader of nonkel, hé', vindt Wojciechowski.
Van Hoeck: 'Sommige patiënten geven een feest als ze een jaar getransplanteerd zijn, en dan word ik wel eens uitgenodigd. Dan ga ik met plezier, maar wel als arts. Ik hou altijd in mijn achterhoofd dat het opnieuw fout kan gaan. Dan moet je dat kunnen melden met de autoriteit van een arts, niet als een vriend die zelf staat te snotteren.'
Menselijk leed
Slechte prognoses, tot en met een slechte afloop, horen bij hun werk. Van Hoeck maakt het regelmatig mee.
'Het is geen wonder dat veel kindernefrologen na een paar jaar stoppen. Ons werk kun je vergelijken met dansen op het hoogste koord, zonder vangnet. Als je valt, is het een ongelooflijk drama. Op dat moment ben je blij dat je in een team werkt, zodat je de miserie samen kunt dragen. Vooral als je een slechte afloop niet begrijpt, als een ziekte je ontglipt is, ben je daar kapot van.'
Maar temidden van dat leed staan Wojciechowski en Van Hoeck vooral versteld van de kracht en relativeringszin die patiënten en hun familie kunnen opbrengen.
'Ik word zelden ontroerd door verdriet, veel vaker door de draagkracht en de moed die veel ouders en kinderen tonen', merkt Van Hoeck op. Als kinderarts hebben ze ook zelf anders tegen lijden en handicaps leren aankijken.
'Neem nu een kindje met een zware hersenbeschadiging dat helemaal verlamd is, niet kan spreken en sondevoeding krijgt', zegt Wojciechowski. 'Op het eerste gezicht begrijp je niet hoe leven op die manier mogelijk is. Maar op de duur bekijk je die kinderen met een andere bril. Na een paar consultaties merk je bijvoorbeeld dat dat kind tot rust komt omdat het je kent, of dat het glimlacht als je het over de bol aait. Ook daar vind je rijkdom van leven.' 'Je ziet ook dat de meeste ouders daar vroeg of laat mee verzoend raken. Niemand vindt het erg dat een gezonde baby van vier weken nog niet glimlacht of speelt. De ouders houden zielsveel van die baby en genieten ervan hem te koesteren. Wel, die mensen leren om dat verwachtingspatroon vast te houden', vult Van Hoeck aan.
Hoogtepunten
Gelukkig overwegen de blije momenten.
'Als je als team een ziekte hebt kunnen verslaan, is dat prachtig. Elke geslaagde niertransplantatie is een feest', zegt Van Hoeck.
Hij herinnert zich een patiëntje van wie de familie na twee mislukte niertransplantaties te horen kreeg dat een transplantatie wellicht nooit zou lukken.
'En toen kregen we daar een superaanbod, een donornier waarvan alle zes weefselkenmerken overeenstemden met die van de patiënt. Een kans van één op een paar miljard. Die transplantatie is gelukt. Dat beschouw ik nog altijd als een van de absolute hoogtepunten in mijn loopbaan.'
Gevraagd wat voor hem hoogtepunten zijn, aarzelt Wojciechowski.
'Ik zie niet één maar honderden hoogtepunten. Een geslaagde diagnose of behandeling, een leuke opmerking van een kind... Mijn werk is mijn leven. Ik heb zelfs moeite met het woord werk.'
Patiënt loslaten
Kleine kinderen worden groot, ook als ze een chronische ziekte hebben. Een laatste consultatie - vanaf achttien jaar neemt de internist het over - roept vaak gemengde gevoelens op.
Van Hoeck: 'Die patiënt moet je echt afgeven. Hij heeft nog altijd zorg nodig, maar die ga jij niet langer geven. Intussen hebben die tieners een lief of zitten ze op de universiteit. Fantastisch natuurlijk. Maar tegelijk is het een beetje triest om 'jouw' kind te moeten loslaten.'
Studeren voor kinderarts
Om kinderarts te worden studeer je zeven jaar geneeskunde, gevolgd door een specialistenopleiding van vijf jaar. Tijdens die opleiding werk je in stagedienst als geneesheer-specialist in opleiding (GSO) bij een of meerdere gevestigde pediaters.
Om te garanderen dat elke kandidaat een brede opleiding krijgt, zijn er een aantal minimumvereisten, zoals een bepaald aantal maanden werken in de algemene pediatrie, met pasgeborenen en in een kraamkliniek.
Kinderartsen in spe volgen ook een interuniversitaire cursus, waarvan ze aan het eind theoretische examens afleggen. Ook opzoekwerk, zelfstudie, het geven van voordrachten, stafvergaderingen en het publiceren van een wetenschappelijk artikel maken deel uit van de opleiding.
Geneeskunde studeren kun je onder meer aan de Universiteit Antwerpen. Meer info op www.universiteitantwerpen.be
