Anesthesist
- verschenen in magUZA # 69
- juni 2007
Waarom kiezen voor anesthesie?
Dat het beroep van anesthesist niet meteen met glamour omweven is, kwam de jonge Vercauteren al vroeg te weten.
'Toen ik destijds kenbaar maakte dat ik anesthesist wilde worden, was er in mijn omgeving teleurstelling alom. Veel mensen bleken niet eens te weten dat je daarvoor een artsendiploma nodig had. Iedereen, tot de pastoor toe, probeerde me ervan te overtuigen huisarts te worden. Want ik zou toch geen asociale figuur worden die in een hoekje in de operatiezaal zat? Terwijl het werk van een anesthesist juist een heel sociale dimensie heeft, of toch zeker kan hebben', vindt Vercauteren.
Gelukkig wist Vercauteren wat hij wilde.
'Tijdens mijn stages chirurgie was het de figuur van de anesthesist die mij het meest fascineerde. In de anesthesie spelen zowel de voorgeschiedenis van de patiënt als medicatie en techniek een grote rol. Die combinatie boeide mij. Wat me ook aansprak was de grote impact die je hebt op de patiënt. Je moet zorgen dat hij niets voelt en nadien weer gezond wakker wordt, terwijl intussen zijn levensfuncties zo stabiel mogelijk moeten blijven. Voor een leek kan dat saai lijken, maar dat is het niet. Elke patiënt en ingreep zijn anders.'
Ook bij Hans gaven de interesse in medicatie en het technische karakter van het beroep de doorslag bij zijn keuze.
'Dat en het feit dat ik actief bezig wilde zijn, iets met mijn handen wilde doen. Iemand die niet handig is, zie ik geen anesthesist worden', voegt hij eraan toe.
Opleiding en interessegebieden
Beide artsen volgden hun anesthesie-opleiding in Antwerpen.
Vercauteren specialiseerde na zijn studies geneeskunde in het Stuivenbergziekenhuis. In het UZA werd hij als een van de eerste anesthesisten aangenomen. Daardoor had hij het geluk vaak op de eerste rij te mogen staan. Zo verzorgde hij de anesthesie van de eerste niertransplantatie in 1979.
'In het begin was er niet eens elke dag een operatie. Gaandeweg hebben we dat zien groeien en zijn we een van de grootste diensten van het ziekenhuis geworden, met vandaag veertien stafleden en een dertigtal assistenten. Dat lijkt veel, maar de anesthesisten worden dan ook op verschillende plaatsen ingezet. Niet alleen in de veertien operatiezalen, maar ook op intensieve zorgen, op de spoed, in het dagziekenhuis en in het pijncentrum. En dan zijn er nog de pre-operatieve consultaties.'
Hans deed zijn kandidaturen in het Limburgs Universitair Centrum (LUC) in Diepenbeek en verhuisde voor zijn licenties naar Antwerpen.
'Ik wist al snel dat ik de richting van de pijnbestrijding uit wilde. In dat domein kom je met enorm veel soorten medicatie in contact en leer je allerlei technieken beheersen. Ook het fenomeen pijn op zich wekte mijn interesse omdat het zo complex is.'
Tijdens zijn specialisatie deed hij onderzoek aan de Universiteit Antwerpen en trok hij een jaar naar Boston voor een bijkomende opleiding in de pijnbestrijding. Nadien kon hij in het UZA aan de slag, waar hij intussen coördinator van het pijncentrum is. 'Hoewel van anesthesisten nog altijd verwacht wordt dat ze alles kunnen en doen, kiezen ze vandaag steeds vaker voor een subspecialisme', weet Vercauteren. 'Ze spitsen zich bijvoorbeeld toe op hartoperaties, intensieve zorgen, spoedgeneeskunde of pediatrie. Ook ik ontwikkelde een specifiek interessegebied, meer bepaald plaatselijke verdovingstechnieken en, daarmee samenhangend, verloskundige anesthesie.'
Hij herinnert zich nog de eerste keizersnede onder lokale verdoving in het UZA.
'In die tijd - 1982 - was dat nog uitzonderlijk. Ik ben bij wijze van spreken op mijn knieën moeten gaan zitten om ze te mogen uitvoeren. Maar achteraf was iedereen enorm enthousiast. Dat was een bijzonder emotionele dag.'
Opleiding en interessegebieden
Het beeld van de anesthesist in het operatiekwartier die zijn patiënten hooguit een paar minuten in wakkere toestand ziet, is vandaag helemaal achterhaald. In het UZA gaat het merendeel van de patiënten voor een operatie op consultatie bij de anesthesist. De overige patiënten krijgen hem de avond of de ochtend voor hun operatie aan bed. Op dat moment wordt nagegaan welke verdoving voor die patiënt het meest geschikt is. Tal van factoren spelen daarbij een rol: leeftijd, medicatiegebruik, de aard van de ingreep, mogelijke pijn na de operatie, de voorkeur van de patiënt... En dan nog heeft elke anesthesist zijn eigen aanpak. 'Ik vergelijk de anesthesie soms met gastronomie', lacht Vercauteren. 'Vraag aan twaalf koks hoe ze hun béarnaisesaus maken, en je krijgt twaalf verschillende recepten. En ieder vindt zijn eigen methode de beste en de meest veilige.'
Voor Vercauteren is ook het menselijke aspect binnen zijn job erg belangrijk.
'Een vrouw die na een miskraam opgenomen wordt voor een curettage, geef je niet droogweg een spuitje. Ik informeer dan altijd even naar de voorgeschiedenis, probeer die patiënt een beetje op te beuren. Ook als ik bij een vrouw in arbeid een epidurale verdoving zet, ga ik nadien nog langs om te horen of alles goed gaat. Als je dan later hoort dat een patiënt veel aan die steun gehad heeft, geeft dat een grote voldoening.'
Werk als anesthesist binnen pijnbestrijding
Ook binnen de pijnbestrijding is het bij elke patiënt zoeken naar de beste aanpak. Kant en klare recepten zijn er niet. Er zijn dan ook heel veel verschillende soorten pijn. Acute rugpijn bij een jonge patiënt vraagt om een andere behandeling dan een aanslepende zenuwpijn bij een oudere man.
'Vijftien patiënten betekenen vijftien verschillende klachten en vijftien verschillende behandelingen', zegt Hans. 'Elke zenuw in het menselijk lichaam kun je uitschakelen, en dan is er telkens nog een veelvoud aan middelen om dat te doen. Je moet dikwijls verschillende soorten medicatie uitproberen voor je het gewenste effect bereikt. Meestal volstaat medicatie trouwens niet, maar omvat de therapie ook bijkomende elementen als kinesitherapie, ergotherapie of psychologische begeleiding.'
De pijn helemaal doen verdwijnen lukt lang niet altijd Hans: 'Daar moet je je in dit vak bij neerleggen. Zoniet loop je grote desillusies op en riskeer je opgebrand te raken.'
Een intens contact met de patiënt is essentieel.
Hans: 'Je mag nog de beste medicatie of infiltratietechnieken bovenhalen, zonder vertrouwensband met je patiënt faalt je therapie. Een pijnpatiënt mag je nooit los zien van zijn achtergrond. Daarvoor spelen psychologische en sociale factoren een te grote rol. Een consultatie duurt bij ons dan ook gemakkelijk een half uur tot 45 minuten.'
Pijnpatiënten hebben de naam een moeilijke populatie te zijn. Hans vermoedt dat dat een van de redenen is waarom weinig anesthesisten voor het vak kiezen.
'Je moet als arts een manier vinden om met deze patiënten om te gaan. Als je ze kunt helpen, krijg je heel veel dankbaarheid terug. De meesten hebben realistische verwachtingen. Als ze pakweg 20 of 30 procent minder pijn hebben en beter kunnen functioneren en bewegen, zijn ze vaak al heel blij.'
Menselijke fouten
Door de hoogtechnologische omkadering gebeurt het nog maar uiterst zelden dat een patiënt niet ontwaakt na een narcose. Maar een menselijke fout is nooit uitgesloten.
Dat geldt ook voor de pijngeneeskunde.
'Bij een infiltratie (soort van inspuiting die de zenuw tijdelijk tot rust brengt, red.) moet je soms naalden inbrengen op vitale plaatsen, zoals de buurt van het ruggenmerg. Je moet het menselijk lichaam dan ook door en door kennen en je hoofd koel kunnen houden. En daarnaast een gezonde durf hebben. Loopt er toch iets fout, dan komt het erop aan niet te panikeren en meteen op de juiste manier in te grijpen', zegt Hans.
Lees verder
Dossier pijn
Evolutie en trends
'Ik heb nog tien jaar lang patiëntjes onder narcose gebracht met enkel een elektrocardiogram als monitoring. In het aardedonker dan nog wel, omdat het om oogonderzoeken ging waarbij geen licht aan mocht. Vandaag is zoiets ondenkbaar, er komt een hele batterij toestellen aan te pas. Alles wordt tegenwoordig gemeten, gemonitord en geregistreerd. Als er iets fout loopt, gaat er meteen een alarm af. Niet voor niets vergelijken ze ons soms met piloten. De veiligheid is er enorm op vooruitgegaan', weet prof. dr. Marcel Vercauteren.
Trends zijn de niet te stuiten verdere opkomst van de regionale anesthesietechnieken en de kortwerkende verdovingsproducten, waardoor een narcose tot een absolute minimumduur beperkt kan worden.
Binnen de pijnbestrijding wordt de laatste jaren steeds gerichter gewerkt, waarbij maar één specifiek onderdeel van het zenuwstelsel wordt behandeld.
Dr. Guy Hans: 'Helemaal voorbijgestreefd is dan weer het uitschakelen van zenuwen, bijvoorbeeld door ze te verbranden of te bevriezen. Uit ervaring weten we intussen dat het zenuwstelsel zich niet laat onderdrukken. Als je een zenuw vernietigt, voelt die patiënt twee of drie maanden geen pijn meer. Maar nadien nemen andere zenuwen het over en heeft die persoon vaak nog veel ergere pijn.'
Ook de pijnmedicatie is de laatste jaren sterk geëvolueerd. Hans: 'Je mag niet vergeten dat pijnbestrijding als aparte tak nog maar zo'n twintig jaar bestaat, en pas de laatste tien jaar een echt hoge vlucht kent. Vroeger maakten we vaak gebruik van geneesmiddelen uit andere disciplines, vandaag beschikken we meer en meer over specifieke pijnmedicatie.'
Hoe word ik anesthesist?
Daarna volg je de specialistenopleiding van vijf jaar, waarbij je in stagedienst werkt als geneesheer-specialist in opleiding (GSO). Tijdens de stages raak je vertrouwd met de anesthesiebegeleiding van alle heelkundige disciplines, met hun specifieke aspecten van urgentie, pijnbehandeling en intensieve-zorgbehoeften.
De eerste twee jaar volg je ook een theoretische interuniversitaire opleiding, met aan het eind van elk jaar een examen.
Na de opleiding anesthesie kun je nog een bijkomend jaar volgen om je verder te specialiseren - met bijzondere beroepstitel - in de spoedgeneeskunde of intensieve zorgen. Je kunt je ook specifiek verdiepen in pijntherapie of de anesthesie van een bepaalde heelkundige subdiscipline.
Geneeskunde studeren kun je onder meer aan de Universiteit Antwerpen. Meer info op www.ua.geneeskunde-studeren.be.
