Column (door Kristien Hemmerechts)

Dit is mijn diepste, geheime angst, een angst die ik uit bijgelovige overwegingen liever niet uitspreek, maar voor één keer doe ik het toch: ik ben bang dat ik blind zal worden.

Mijn oma was blind. Eerst niet. Jaren en jaren had ze zelfs geen bril nodig, maar toen ging mijn opa dood en werd zij blind. Van het huilen. Ze huilde dag en nacht, en van al dat huilen werd ze blind. Toen was ze haar man kwijt, én haar zicht. En ze was te oud om braille te leren. Ze kon niets meer leren. Ze huilde alleen maar.

Ik heb ook ooit heel veel gehuild. De tranen gutsten uit mijn ogen. Ik was een lekke kraan die niemand dicht kon draaien. Tot ik op een dag niet meer kon huilen: mijn traanklieren waren uitgeput. Nu heb ik droge ogen. Dat komt, zegt mijn oogarts, omdat ik vroeger mijn lenzen veel te lang aan een stuk heb gedragen. Plus staarde ik uren en uren naar een computerscherm. Ik had net zogoed mijn ogen in een oven kunnen leggen en ze laten bakken. Bij wijze van spreken.

Later heb ik nog iets doms gedaan met die ogen van me: krasjes laten zetten. Nu worden er geen krasjes meer gezet, maar toen wel. Dat was een revolutie: niemand zou nog een bril of lenzen hoeven te dragen. De vrouw van een vriend van me had krasjes en die was over het verbluffende resultaat zó enthousiast dat ik meteen een afspraak bij dezelfde oogchirurg maakte. Hij was een expert met naam en faam. In ogen van alle mogelijke nationaliteiten had hij al gekrast. Hij had een map vol met brieven van dankbare patiënten. Een tijdlang ging het goed. Ik, die voordien min zes bijziend was geweest, kon nu mijn bril weggooien, zoals die lamme zijn krukken nadat Jezus het mirakel had verricht. Maar na een paar jaar was het mirakel uitgewerkt: ik was niet meer bijziend, maar werd verziend. De oogchirurg weigerde toe te geven dat ik opnieuw een bril nodig had. Ik beeldde het me in, zei hij.

Intussen ben ik plus vijf, en heb ik drie verschillende brillen, een paar lenzen én een andere oogarts die me heeft uitgelegd dat de oogchirurg vrij diep heeft moeten krassen. 'Normaal opereerden ze niet bij min zes.' Zoiets verneem je dan achteraf. Ben ik liever verziend dan bijziend? Ik zou het niet weten.

Ik was de eerste in mijn familie die een bril moest dragen. De oudere generatie had leesbrillen, maar zelfs die leesbrillen hadden ze pas jaren later dan de gemiddelde man of vrouw nodig gehad. En plotseling kwam ik met een briefje van de schoolarts thuis. Mijn ouders begrepen er niets van. Elf jaar was ik. Hoe kon dat nou?

Twee keer per week moest ik bij een oogarts achter een toestel plaatsnemen. Ik legde mijn kin op een steuntje, keek door twee minuscule gaatjes en beantwoordde zijn strenge vraag: 'Zit de papegaai in het kooitje of zit de papegaai niet in het kooitje?' De papegaai zat nooit in het kooitje en ook nooit buiten het kooitje. Hij fladderde rusteloos rond alsof hij door een wesp gestoken was. Gek werd ik van die papegaai, en ook de oogarts werd gek van mijn grillige antwoorden. Alle drie werden we gek: de papegaai, de oogarts en ik.

Maar wees dus niet boos op me als ik u ooit voorbijloop zonder u te groeten. Ik meen te herkennen wie ik niet ken, en herken niet wie ik ken. Die ogen van me deugen niet. Zelfs niet met een bril op mijn neus of met lenzen, lenzen die ik nooit langer dan een paar uur achter elkaar dragen kan. Pas nadat ik iemand herhaaldelijk heb gezien en wanneer ik ook met zijn houding, zijn stap, zijn uitstraling, zijn kleren en haarsnit ben vertrouwd, herken ik mensen moeiteloos. Stemmen zijn voor mij bepalender dan gezichten. Ik herken mensen aan hun parfum of aftershave.

Mijn dochter heeft nog zwakkere ogen dan ik. Laatst bij de oogarts zei ze plotseling dat ze bang is dat ze blind zal worden.

'Jij wordt niet blind,' sprak de oogarts rustig en beslist. 'Over een paar jaar planten we bij jou vaste lenzen in, en die blijven dan voor de rest van je leven zitten.'

'Heb je het goed gehoord,' zei ik onderweg naar huis. 'Ja,' zei ze, 'ik heb het gehoord.'

We glimlachten naar elkaar.

RUBRIEKEN

magUZA juni 2007