Betutteling

Een klein ziekenhuis in onze buurt … Ik meld me aan voor een pijnbehandeling in mijn rug, een kleine ingreep die in een operatiezaaltje gebeurt. Maar dat gaat niet zomaar, eerst moet ik een operatiekleed aantrekken en daarna brengen ze me in een heuse rolstoel naar het OK. Veel gedoe, maar het zal wel zijn redenen hebben denk ik. Gehoorzaam trek ik het operatiespul aan en wacht op de rolstoel. Bang of ongerust ben ik niet, het is niet mijn eerste pijnbehandeling. Ik ben er klaar voor, de verpleegkundige ook. ‘Als je het kleedje helemaal aan hebt, mag je een groen mutsje opzetten. Dan mag je in het stoeltje gaan zitten (de rolstoel dus). Ik ga de plankjes voor je uitklappen en dan mag je daar met je voetjes op steunen. En je brilletje mag je aan mij geven.’ En zo gaat het nog een tijdje door. 

Intussen word ik vakkundig door liften en lange gangen geloodst tot ik in het operatiekwartier aankom. Onder mijn arm heb ik een bruine envelop met recente scans met nieuwe informatie voor de dokter. Bij het binnenrijden van het operatiezaaltje leg ik aan de verpleegkundige uit waarom ik de scans wil laten zien aan de dokter. ‘Daar heeft de dokter nu geen tijd voor’, is het korte antwoord. In normale doen zou ik beleefd tegenpruttelen of argumenteren waarom ik de scans wil voorleggen. Nu blijf ik gedwee in de rolstoel zitten, klaar voor de behandeling. Want weer mag ik de voetjes van het plankje halen, er komt ‘een prikje in mijn armpje voor een infuusje met medicijntjes’. Zonder bril – bijna blind als een mol – in een operatiekleed, in een rolstoel: het doet iets met het zelfvertrouwen van een mens. Van mijn eigen mondige zelf is weinig over. Als een lam lever ik mij over aan de dokter en zijn naalden. Ik geef geen krimp en een half uurtje later ben ik weer op mijn kamer. Daar mag ik mijn operatiekleedje uittrekken en mijn brilletje weer opzetten. En ik krijg nog een koffietje met een boterhammetje

Een uur later sta ik op de stoep van het ziekenhuis, compleet met jeans, schoenen én bril. In de auto op weg naar huis mijmer ik over het subtiele effect van de verkleinwoordjes en de sfeer daarrond. Zijn er ook mensen die zich daarin koesteren? Die zich beschermd en verzorgd voelen en zich dan zonder morren schikken in de rol van patiënt: hij of zij die lijdt. Het is in elk geval niets voor mij, die betutteling. Intussen heb ik – in een ander ziekenhuis – mijn pijnspecialist gevonden … Rechttoe, rechtaan: geen gedoe met brillen, operatiekleedjes en rolstoelen. Ik mag zelfs tegenpruttelen. En ik lever me met plezier over aan zijn naalden.

Bron: maguza.be