Foto, scan, echo?

Iedereen moet vroeg of laat wel eens naar het ziekenhuis voor een radiografisch onderzoek, een echografie, een CT-scan of een MRI. Wat is eigenlijk het verschil tussen die technieken? En wanneer krijg je wat? Een kort overzicht.

In grote lijnen zijn er drie soorten radiologische onderzoeken:

  • onderzoeken die gebruik maken van röntgenstralen, zoals de klassieke röntgenopname of de CT-scan,
  • onderzoeken op basis van geluidsgolven, met andere woorden de echografie,
  • en technieken die werken met magneetvelden, de MRI.

1. Röntgenopnames en CT-scan

De oudste techniek binnen de radiologie, ontdekt in 1895, is de klassieke röntgenopname.  Röntgenopnames worden gemaakt met behulp van een bepaald type elektromagnetische stralen, röntgenstralen of x-stralen genoemd. Via die techniek kunnen artsen als het ware door de huid naar de binnenkant van het menselijk lichaam kijken, zodat bijvoorbeeld botstructuren zichtbaar worden. Röntgenopnames worden gebruikt bij vermoeden van een longontsteking of ander longletsel of om een breuk of een gewrichtsafwijking op te sporen. Röntgenstralen zijn een vorm van ioniserende straling, die bij herhaald gebruik of in hoge dosis weefselbeschadiging kunnen veroorzaken.

CT-scan. Het jongere en slimmere broertje van de klassieke röntgenopname is de CT-scan of voluit computertomografiescan, ook wel CAT-scan of eenvoudigweg scanner genoemd. De patiënt ligt tijdens het onderzoek op een tafel terwijl er een röntgenbuis rondom hem draait. Een detector meet de doorgelaten straling vanuit verschillende invalshoeken. Met behulp van een krachtige en snelle computer wordt die informatie in CT-beelden vertaald. Het verschil met een gewone röntgenopname is dat je op een CT-beeld veel duidelijker het contrast tussen verschillende soorten weefsel ziet. Daardoor zie je bijvoorbeeld niet alleen het verschil tussen bot en weefsel, maar kun je ook eventuele afwijkingen binnen dat weefsel opsporen.

De CT-scan wordt gebruikt voor onderzoeken van het hele lichaam: hoofd, hart, longen, buikholte, klein bekken, spieren, gewrichten, bloedvaten … Longopnames met de CT-scan worden vooral gemaakt om een fijnere diagnose te kunnen stellen bij chronische longziekten of specifieke longaandoeningen. Tijdens het CT-onderzoek krijgt de patiënt vaak via een ader in de arm een jodiumhoudend contrastmiddel toegediend om zo bloedvaten en organen beter zichtbaar te maken. 

Een bekend onderzoek dat ook gebruik maakt van röntgenstralen is de mammografie. Een andere variant is de angiografie, waarmee de bloedvaten in kaart worden gebracht.

2. Echografie

Echografie maakt gebruik van geluidsgolven met een heel hoge frequentie, de zogenaamde ultratonen. Het echografietoestel stuurt die ultratonen richting weefsel, dat zo aan het trillen wordt gebracht. Vervolgens worden de geluidsgolven teruggekaatst en geregistreerd door het toestel: vandaar de naam “echo”. Het echografisch beeld komt tot stand doordat de ingestraalde geluidsgolven worden vergeleken met de teruggekaatste geluidsgolven. 

Echografie is een veilige techniek en wordt daarom heel vaak gebruikt tijdens de zwangerschap, onder meer om de groei van de baby te volgen en eventuele afwijkingen op te sporen. Verder is de techniek geschikt voor onderzoek van organen in de buik, zoals de lever, de milt en de pancreas, maar ook om pezen, spieren, kraakbeen en ligamenten van naderbij te bekijken. Een echografie is ook de aangewezen techniek om de hersenen van een pasgeboren baby te onderzoeken of om vernauwingen in de bloedvaten op te sporen.

3. Magnetische resonantie beeldvorming (MRI)

Een derde vaak gebruikte techniek is magnetische resonantie beeldvorming of MRI. Die methode maakt gebruik van een krachtig magneetveld en radiofrequentiegolven. De patiënt wordt in een tunnel geschoven, waarna resonantiegolven worden opgewekt als gevolg van een ingewikkelde wisselwerking tussen het aanwezige magneetveld en de radiofrequentiegolven. Dat resulteert in beelden van het lichaam. 

MRI wordt in de eerste plaats gebruikt om het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg) in kaart te brengen. Zo brengt de techniek uiterst kleine veranderingen in het hersenweefsel aan het licht, nodig om de diagnose te stellen bij bijvoorbeeld multiple sclerose (MS) of om een hersentumor in kaart te brengen. Ook een herseninfarct kan met MRI heel vroeg worden opgespoord. Andere belangrijke toepassingen zijn onderzoeken van de wervelkolom en de grote gewrichten, het kniegewricht op kop. Voorts wordt de techniek ook gebruikt om afwijkingen in de buik, borsten en bloedvaten te bestuderen. Een MRI-onderzoek is een stuk gevoeliger dan een CT-scan, waardoor de techniek het mogelijk maakt om kleine afwijkingen in een vroeg stadium op te sporen. Een heel belangrijk voordeel van de MRI is dat er geen schadelijke straling aan te pas komt.

Info: dienst radiologie UZA, T 03 821 48 48

Bron: maguza.be