Van diagnose tot behandeling

Er zijn verschillende vormen van ongewild urineverlies en de mogelijke oorzaken zijn talrijk. Gelukkig kan in ongeveer 80 procent van de gevallen het probleem verholpen worden. De behandeling verschilt van patiënt tot patiënt.

Verschillende vormen van ongewild urineverlies
Er zijn verschillende vormen van ongewild urineverlies. Ongeveer de helft van de patiënten lijdt aan inspanningsincontinentie. Bij hen treedt ongewild urineverlies enkel op bij hoesten, niezen, lachen of tijdens een lichamelijke inspanning. De oorzaak van die vorm is meestal een verzwakking van de bekkenbodem. Dat is de wand van spieren, gewrichtsbanden en pezen die het bekken onderaan ondersteunt. De urinebuis loopt er dwars doorheen. Als we de bekkenbodemspieren rond onze urinebuis samentrekken, houden we onze plas op. Zijn de spieren in kwestie verzwakt, dan kan dat ophouden een probleem worden. Een tweede belangrijke vorm is zogenaamde aandrangincontinentie. De blaasspier trekt ongecontroleerd samen, waardoor een niet te onderdrukken drang om te plassen ontstaat. De oorzaak hiervan kan een blaasinfectie, veroudering of een vernauwing van de urineafvoerbuis zijn.
Verder is er gemengde incontinentie, waarbij de patiënt zowel inspannings- als aandrangincontinentie vertoont.
‘En daarnaast zijn er nog verschillende andere vormen’, vervolgt prof. dr. Jean-Jacques Wyndaele, diensthoofd urologie. ‘Denk maar aan bedwateren, dat ook bij volwassenen nog relatief vaak voorkomt. Naar schatting zouden zo’n vijf mensen op de duizend er mee kampen.’
De mogelijke oorzaken van urinaire incontinentie zijn talrijk: ziekte, een infectie, een traumatische bevalling, een operatie, sportbeoefening op topniveau...

Diagnosestelling
Patiënten die zich aanbieden met ongewild urineverlies, worden niet meteen onderworpen aan allerlei ingewikkelde onderzoeken. In eerste instantie krijgen ze een uitgebreide vragenlijst te beantwoorden. Vaak wordt voorgesteld om enkele dagen bij te houden hoe vaak ze precies moeten plassen. Vervolgens voert de arts een lichamelijk onderzoek uit.
Wyndaele: ‘Daarnaast kunnen we een aantal specifieke testen doen, waarmee we onder meer nagaan in welke omstandigheden de patiënt urine verliest. We kunnen ook heel precies de werking van de blaas nagaan tijdens een zogenaamd urodynamisch onderzoek. Tenslotte zijn er nog een aantal hooggespecialiseerde onderzoeken mogelijk, waarbij bijvoorbeeld de bezenuwing onderzocht wordt. Die laatste onderzoeken gebeuren in onze urodynamische onderzoekskamer, een hoogtechnologisch uitgeruste onderzoeksruimte, die ons toelaat om de patiënt na hooguit een uur een definitieve diagnose te geven. Die meer gesofisticeerde onderzoeken zijn soms iets vervelender, maar doen we dan ook alleen maar bij ingewikkelde of hardnekkige problemen.’

Behandeling
Gelukkig is er heel veel te doen tegen incontinentie. In ongeveer 80 procent van de gevallen kan het probleem volledig verholpen worden.
‘Lukt dat niet, dan kunnen we de situatie in elk geval zodanig verbeteren dat de patiënt opnieuw een normaal sociaal leven kan leiden’, aldus Wyndaele.

Aanpassing dagelijkse gewoonten
Soms kan de behandeling heel eenvoudig zijn. Bij een aantal patiënten volstaat het dat ze een aantal dagelijkse gewoonten veranderen.
Wyndaele: ‘Zo is het belangrijk dat de patiënt voldoende drinkt, maar dat hij de hoeveelheid vocht verspreidt over de dag. Anderen moeten hun overgewicht kwijtspelen of voor een regelmatige stoelgang zorgen. En er zijn ook vrouwen die echt opnieuw moeten leren plassen. Die gebruiken bijvoorbeeld hun buikspieren, wat absoluut niet de bedoeling is. Dat lijken misschien onbenullige dingen, maar in feite is het aanleren van andere gewoonten juist hét belangrijkst.’

Bekkenbodemkinesitherapie
Nogal wat patiënten zijn ook gebaat met bekkenbodemkinesitherapie, waarbij ze opnieuw leren om hun bekkenorganen te gebruiken. Bij ongeveer drie vierden van de patiënten zorgt dat voor verbetering. Bij een patiënt op de vier volstaat het zelfs om de incontinentie volledig de wereld uit te helpen.

Medicatie
Voor nog anderen kan medicatie een oplossing bieden. Vooral patiënten met aandrangincontinentie worden hiermee vaak geholpen. Afhankelijk van het probleem kan het bijvoorbeeld om een middel gaan dat de blaasspier ontspant of de sluitspier van de blaas versterkt.

Chirurgische ingreep
Volstaan al die behandelingsmethoden niet, dan kan eventueel een ingreep uitkomst bieden. Soms helpt het om het urinekanaal onderaan extra te ondersteunen met behulp van een soort bandje, een relatief lichte ingreep die vaak wordt toegepast bij vrouwen. Andere mogelijkheden zijn een correctie van een blaasverzakking of een opnaaiing van de blaas.
In zeldzame gevallen zijn er meer ingewikkelde operaties nodig, zoals het plaatsen van een kunstmatige blaassluitspier of een pacemaker van de blaas, ook wel neuromodulator genoemd. In dat laatste geval wordt een batterijtje ingeplant dat wordt verbonden met de zenuw van de blaas. Door middel van elektronische stroomsignalen wordt de zenuw als het ware geherprogrammeerd. In bepaalde gevallen wordt de ingreep terugbetaald door het Riziv.
‘Welke operatie we ook uitvoeren, het is belangrijk dat de patiënt zich ook na de ingreep aan de algemene ‘regels’ houdt, zoals op de juiste manier plassen, geen al te zware voorwerpen heffen en de bekkenbodem goed gebruiken. Zoniet keert het probleem niet zelden terug’, stipt Wyndaele aan.

Aangepast opvangmateriaal
Bij een beperkt aantal patiënten kan het probleem maar gedeeltelijk verholpen worden, en is aangepast opvangmateriaal nodig. Ook op dat vlak is er de afgelopen jaren veel vooruitgang geboekt. Dankzij het grote aanbod aan materiaal is er voor iedereen – man of vrouw, lichte of zware incontinentie – wel een gepaste oplossing.