Transplantatie
Een transplantatie is een uitzonderlijke ingreep, die zowel fysiek als mentaal veel van de patiënt vraagt. Het UZA behandelt jaarlijks honderden mensen die een donororgaan kregen of die er in spanning op wachten. Om deze patiënten alle kansen te geven op een lang en gezond leven, wordt hun medische toestand op de voet gevolgd door een gespecialiseerd artsenteam. Ook voor de menselijke en sociale aspecten is er bijzondere aandacht.
Wie komt in aanmerking voor transplantatie?
Ondanks de vaak prachtige resultaten blijft een transplantatie een laatste redmiddel. 'Aangezien de patiënten de rest van hun leven zware medicatie moeten slikken en de meeste donororganen een eindige levensduur hebben, stellen we de behandeling alleen voor als de patiënt niet lang meer te leven heeft of als er van levenskwaliteit nog nauwelijks sprake is', zegt prof. dr. Dirk Ysebaert, diensthoofd hepatobiliaire, transplantatie en endocriene heelkunde en voorzitter van de Belgische Vereniging voor Transplantatie.
Toch mag de patiënt ook weer niet te ziek zijn.
'Mogelijke kandidaten voor een transplantatie ondergaan vooraf uitgebreide medische onderzoeken die moeten bepalen of de patiënt lichamelijk in staat is om de zware ingreep en revalidatie te doorstaan. De patiënt mag geen bijkomende ernstige gezondheidsproblemen hebben en eventuele infecties moeten eerst behandeld worden', legt Ysebaert uit.
Op het vlak van ouderdom weegt de biologische leeftijd van de patiënt zwaarder door dan zijn geboortejaar. Een zeventigjarige die in goede conditie is, kan nog heel wat jaren gezond leven met een donororgaan en komt dus evenzeer in aanmerking als een jongere kandidaat.
Indien nodig moet de patiënt aan zijn conditie werken en stoppen met roken.
'We moeten zorgvuldig omspringen met de weinige organen die we hebben. Het heeft bijvoorbeeld geen zin een patiënt met een ongeneeslijke kanker te transplanteren. Ook alcoholverslaafden of mensen die het roken niet kunnen laten, komen om die reden niet in aanmerking', merkt Ysebaert op.
Als de medische screening is afgerond, wordt tijdens een multidisciplinaire stafvergadering beslist of de patiënt wordt toegelaten op de wachtlijst van Eurotransplant.
Begeleiding door maatschappelijk werker
Omdat een transplantatie ook psychisch en sociaal een grote belasting betekent voor de patiënt en zijn omgeving, wordt elke kandidaat op de wachtlijst begeleid door een maatschappelijk werker. Die zoekt samen met hem naar oplossingen voor eventuele problemen - bijvoorbeeld nood aan thuiszorg na de ingreep, aanpassing van de arbeidsomgeving, financiële moeilijkheden, problemen met statuut… -, geeft uitgebreide informatie over wat hem te wachten staat en is er indien nodig voor emotionele opvang.
Ysebaert: 'Je mag niet vergeten dat de wachttijd lang kan oplopen. Patiënten die wachten op een hart, long of lever, riskeren bovendien dat het orgaan te laat komt. Dat maakt die periode erg slopend.'
Transplantatie zelf altijd onverwacht
Tenzij het orgaan afkomstig is van een levende donor, is een transplantatie nooit gepland. Als een geschikt orgaan vrijkomt, begeeft de patiënt zich - als hij al niet opgenomen was - stante pede naar het ziekenhuis. Daar wordt hij na een lange en ingewikkelde operatie wakker met een nieuw orgaan, tenminste als alles goed gaat.
Na de transplantatie
De eerste maanden na de transplantatie zijn het zwaarst. De patiënt moet dan volop revalideren en tegelijk is de kans op afstoting en infecties in die periode het grootst. Elke vorm van koorts of infectie moet ogenblikkelijk behandeld worden. Het duurt meestal een aantal weken of in zeldzame gevallen maanden voor de patiënt weer naar huis kan. Om eventuele afstotingsverschijnselen of infecties zo snel mogelijk te detecteren en te behandelen moet hij nadien nog drie keer per week op controle komen. Later wordt die frequentie afgebouwd tot maandelijkse of zeswekelijkse controles.
'Na een paar maanden kan de patiënt meestal weer een normaal leven leiden. Velen gaan opnieuw aan het werk en hervatten hun sociale activiteiten als vanouds', weet Ysebaert.
Verminderde weerstand tegen infecties
Het zwakke punt van elke transplantatie is de grotere vatbaarheid voor infecties, een gevolg van de medicatie die de patiënt moet nemen. Deze zogenaamde immunosuppressiva onderdrukken het afweersysteem om te voorkomen dat dit het donororgaan als een vreemde indringer aanvalt. Zonder de immunosuppressiva zou het orgaan binnen de kortste keren worden afgestoten. Maar door zijn verzwakte immuunsysteem heeft de patiënt ook minder verweer tegen infecties.
'Om het infectiegevaar te beperken moet de patiënt zich houden aan een aantal hygiënische maatregelen', legt Ysebaert uit. 'Hij moet bijvoorbeeld goed opletten met wat hij eet - bijvoorbeeld geen broodje américain -, contact met zieke mensen vermijden en zijn gebit nauwgezet verzorgen. Huisdieren kunnen nog, zolang ze uit de keuken, de badkamer en de slaapkamer worden geweerd. Ook reizen raden we zeker niet af, al kiezen transplantatiepatiënten best voor landen met een voldoende hoog hygiënisch peil.'
Andere aandachtspunten
Om in een goede conditie te blijven is ook voldoende lichaamsbeweging nodig, en mag de patiënt absoluut niet opnieuw beginnen roken. Zijn medicatie moet hij heel stipt innemen. Een keertje overslaan is uit den boze, omdat dat al snel tot afstoting kan leiden.
Door hun verminderde afweer hebben transplantatiepatiënten ook een verhoogd risico op kanker, zij het eerder op lange termijn. Vooral huidkanker komt bij hen vaker voor. Oppassen met de zon is dan ook de boodschap.
Ondanks die beperkingen genieten de meeste patiënten volop van het nieuwe leven dat hun gegund wordt.
'De meesten spreken van een soort wedergeboorte. Vandaar ook de gewoonte om de transplantatiedatum te vieren als een tweede verjaardag', aldus nog Ysebaert.
Transplantatieprocedure
Als er een geschikt orgaan vrijkomt, krijgt de transplantatiecoördinator van het UZA een telefoontje van Eurotransplant. Daarop krijgt de behandelende arts een half uur tot een uur tijd om te beslissen of hij het aangeboden orgaan accepteert of niet. Neemt hij het aanbod aan, dan wordt de patiënt opgebeld en moet die onmiddellijk naar het ziekenhuis komen.
Intussen worden twee chirurgische teams opgetrommeld: het operatieteam dat de transplantatie uitvoert en het prelevatieteam dat het orgaan in het donorziekenhuis gaat halen. Het orgaan kan zich ergens in een Vlaams ziekenhuis bevinden, maar net zo goed in Oostenrijk of Slovenië. In dat laatste geval gebeurt het transport met de helikopter of het vliegtuig.
Zodra het orgaan verwijderd is, begint de klok te tikken. Want het orgaan kan maar een beperkt aantal uren zonder bloedtoevoer: van vier uur als het om een hart gaat tot 48 uur voor een nier.
In afwachting van de eigenlijke transplantatie bereidt het operatieteam de patiënt alvast voor op de ingreep. Het prelevatieteam en de transplantatiecoördinator staan voortdurend met elkaar in verbinding, zodat het operatieteam precies op tijd kan beginnen. Het zieke orgaan van de patiënt wordt pas verwijderd op het moment dat het donororgaan veilig en wel het ziekenhuis bereikt heeft.
Transplantatie is teamwerk
De eerste dagen en weken na de ingreep is de verzorging van de patiënt heel arbeidsintensief, waardoor er meer verpleegkundigen worden ingeschakeld dan gebruikelijk. Vanwege het infectiegevaar en de mogelijke ernstige neveneffecten van de medicatie, moeten ze goed op de hoogte zijn van de werking van de specifieke geneesmiddelen die gebruikt worden bij transplantatie.
Typisch aan een transplantatie is dat ze nooit gepland kan worden. Een transplantatiecentrum kan dan ook maar goed draaien als het medisch en paramedisch personeel bereid is dag en nacht klaar te staan voor het geval zich een donororgaan aandient.
Dubbele transplantaties
In het UZA gebeurt de ingreep jaarlijks bij twee tot drie patiënten.
'Aangezien deze mensen sowieso de zware operatie moeten ondergaan en de afweeronderdrukkende medicatie moeten nemen, kun je net zo goed beide problemen oplossen', legt prof. dr. Dirk Ysebaert uit.
Het UZA mag ook verschillende leverpancreastransplantaties op zijn naam schrijven.
'Patiënten die hiervoor in aanmerking komen, zijn enerzijds diabetici met een leverziekte en anderzijds mensen met gezwellen in de pancreas die zijn uitgezaaid tot in de lever', verduidelijkt Ysebaert.
Het UZA bracht nog verschillende andere dubbele overplantingen tot een goed einde, waaronder een hartniertransplantatie en een leverniertransplantatie.
Geschiedenis transplantatie
In 1963 vonden de eerste long- en levertransplantatie plaats, gevolgd door de eerste pancreastransplantatie in 1966. Een jaar later, in 1967, mocht de Zuid-Afrikaanse hartchirurg Christiaan Barnard de eerste harttransplantatie op zijn naam schrijven. De ingreep kon op een enorme mediabelangstelling rekenen.
Maar ook in die periode waren de transplantaties nog weinig succesvol. De ingeplante organen werden meestal snel afgestoten, zodat het met de overleving pover gesteld was. Van de eerste honderd harttransplantatiepatiënten overleden er zestig binnen de week. De gemiddelde overlevingsduur bedroeg dertig dagen.
De transplantatiegeneeskunde kwam pas echt goed uit de startblokken toen de medische wereld het mechanisme van afstoting beter ging begrijpen en zowel de chirurgische technieken als de medicatie beter werden. Heel belangrijk was de ontdekking van Cyclosporine in 1972, een geneesmiddel dat de afstotingsverschijnselen onderdrukt. Toen dit begin jaren tachtig op de markt kwam, stegen de overlevingskansen van de getransplanteerden aanzienlijk en zat het transplantatiegebeuren definitief in de lift.
In het UZA ging het niertransplantatieprogramma al binnen de maand na de opening in 1979 van start. In 1989 mocht het ziekenhuis de eerste nierpancreastransplantatie in Vlaanderen op zijn naam schrijven. Met harttransplantaties en longtransplantaties werd respectievelijk in 1994 en 1997 gestart. Als laatste kwam er in 2001 het levertransplantatieprogramma bij.
