Tekort aan donororganen

Te weinig organen voor te veel patiënten : de grootste hinderpaal in het hele transplantatieverhaal is de beschikbaarheid van donoren. Jaarlijks overlijden tientallen Belgen omdat er niet tijdig een geschikt orgaan vrijkomt.


Wie komt in aanmerking als donor?
Om voor orgaandonatie in aanmerking te komen, moet een patiënt hersendood zijn na bijvoorbeeld een ongeval of een hersenbloeding.
'De hersenen van deze mensen vertonen geen enkele activiteit meer, een toestand die onomkeerbaar is en binnen een paar uur of dagen tot een hartstilstand leidt. Om orgaanschenking mogelijk te maken wordt de bloedsomloop intact gehouden met kunstmatige beademing', legt prof. dr. Dirk Ysebaert uit.

Alsmaar minder kwalitatieve organen
Het aantal donoren is de laatste jaren min of meer stabiel gebleven. Maar doordat de gemiddelde leeftijd van de donoren alsmaar stijgt, is het aanbod bruikbare en kwalitatieve organen drastisch verminderd.
Oorzaak van het afnemende aantal jonge donoren is onder meer de vermindering van het aantal verkeersongevallen met dodelijke slachtoffers en zwaargewonden, wat op zich uiteraard een positieve zaak is. Daarnaast worden zwaargewonden ook alsmaar langer in leven gehouden op intensieve zorgen. Overlijden ze nadien toch, dan zijn hun organen meestal onbruikbaar geworden vanwege opgelopen infecties.

Gevolg: sterfte en lange wachttijden
Het gevolg van het organentekort zijn lange wachttijden en een stijgende sterfte op de wachtlijst. Vooral de gemiddelde wachttijd voor een nier is erg lang geworden. Voor een hart-, long- en levertransplantatie is de aangroei van het aantal wachtenden minder uitgesproken. De verklaring daarvoor is dat er geen vervangtherapie is : patiënten die niet tijdig 'aan de beurt' komen, overlijden op de wachtlijst.

Organen gaan soms verloren
Om zo weinig mogelijk kostbare organen verloren te laten gaan, is het belangrijk dat ziekenhuizen voortdurend attent zijn op potentiële donoren. Geschat wordt dat nu een vierde van de donoren verloren gaat doordat ze niet gerapporteerd worden. 'Dat betekent dat 75 procent wel aangegeven wordt. Maar het zou nog beter kunnen', aldus Ysebaert.
Een andere belangrijke struikelblok zijn de weigeringen van familieleden. In 2005 tekende zo'n twintig procent van de nabestaanden verzet aan tegen het wegnemen van de organen van hun overleden familielid.
'Als familieleden weigeren, is dat vaak omdat ze zich helemaal overdonderd voelen en ze er vooraf nooit over nagedacht of gesproken hebben. Het onderwerp zou meer bespreekbaar moeten zijn', zegt Ysebaert.

Wetgeving

De Belgische wet rond orgaandonatie van 13 juni 1986 bepaalt dat iedereen die bij leven geen expliciet verzet heeft aangetekend, een kandidaat voor donatie is. Er moet geen toestemming aan de nabestaanden gevraagd worden. De familie kan wel spontaan verzet aantekenen. In dat geval mogen de organen niet gebruikt worden. Heeft de overledene zich echter bij leven als donor laten registreren, dan is verzet niet mogelijk.
In de praktijk wordt een eventuele orgaandonatie bijna altijd vooraf met de nabestaanden besproken, uit respect voor hun gevoelens. De wet bepaalt dat het verwijderen van de organen met respect voor het stoffelijk overschot moet gebeuren. Opbaren moet nog perfect mogelijk zijn.
Ook de manier waarop het overlijden wordt vastgesteld, is wettelijk bepaald. Dit moet door drie verschillende artsen gebeuren, met uitsluiting van geneesheren die de toekomstige ontvanger behandelen of de organen zullen wegnemen.
Tenslotte is er ook een wet op levend donorschap. Onder bepaalde voorwaarden kunnen mensen een nier of een stuk lever afstaan aan een partner of familielid. ‘Die voorwaarden zijn vrij strikt’, weet prof. dr. Dirk Ysebaert. ‘Donatie bij leven kan alleen als de ontvanger in levensgevaar is en er geen overleden donor beschikbaar is. Omdat een patiënt aan de nierdialyse meestal niet in onmiddellijk levensgevaar is maar wel een grotere kans op overlijden heeft dan een gezond persoon, is het schenken van een nier in principe toegestaan. Maar omwille van de strakke wetgeving wordt dit in België niet aangemoedigd. Dat verklaart waarom het aantal levende donoren bij ons in verhouding vijftien keer lager ligt dan in Nederland. Een aanpassing van de wet zou dan ook een goede zaak zijn. Ook al omdat niertransplantatie met een levende donor de beste resultaten geeft.’