Stamceltransplantatie

Wat?

Een beenmerg- of stamceltransplantatie wordt als behandeling ingezet bij een aantal ziektes die hun oorsprong vinden in het beenmerg, waaronder leukemie.
'In het beenmerg, onder meer aanwezig in het bekken, wordt het bloed aangemaakt', zegt prof. dr. Alain Gadisseur, UZA-hematoloog en medisch directeur van de stamceltransplantatie. 'Ziek beenmerg behandelen we in de eerste plaats met chemotherapie. Maar omdat dat meestal niet volstaat, volgt vaak nog een beenmergtransplantatie. Eenvoudig gesteld wordt het zieke beenmerg dan vervangen door gezond beenmerg. Het oude beenmerg wordt eerst gedeeltelijk of volledig vernietigd met chemotherapie en bestraling.'
De naam stamceltransplantatie dekt vandaag beter de lading dan beenmergtransplantatie.
'We nemen nog maar zelden beenmerg af', preciseert Gadisseur. 'Het zijn de stamcellen in het beenmerg die voor de aanmaak van bloedcellen zorgen. Door het beenmerg als het ware op te jagen komen die stamcellen in de bloedbaan terecht. We kunnen ze dan uit het bloed halen, wat voor de donor minder belastend is dan het verwijderen van beenmerg.'

Autologe versus allogene transplantatie

Patiënten ondergaan hetzij een autologe, hetzij een allogene transplantatie. Bij een autologe transplantatie worden na een eerste reeks chemokuren eigen beenmergcellen afgenomen. Daarop wordt het resterende beenmerg grotendeels vernietigd met heel zware chemotherapie. Tenslotte krijgt de patiënt de eigen stamcellen weer toegediend. Bij een allogene transplantatie komen de stamcellen van een donor, hetzij een broer of zus, hetzij een vreemde donor.
De keuze tussen een autologe of allogene transplantatie hangt onder meer af van de ziekte. Bij acute leukemie wordt meestal voor een allogene transplantatie gekozen. Voor oudere patiënten is een autologe transplantatie te verkiezen, omdat er dan minder complicaties zijn.
Bij een allogene transplantatie worden een broer of zus, indien mogelijk, meestal verkozen als donor boven een niet-verwante donor. Het risico op afstoting is dan kleiner. De kans dat een broer of zus geschikt is, bedraagt 25 procent.

Nieuwe behandelingsvormen

'Bij een transplantatie met verwante donor kunnen we vandaag ook stamcellen nemen van de vader, de moeder of een kind van de patiënt. Dat weefsel stemt voor de helft overeen. Ook stamcellen uit navelstrengbloed worden vandaag soms gebruikt', zegt prof. dr. Wilfried Schroyens, adjunct diensthoofd hematologie en programmadirecteur stamceltransplantatie.
Een gelijkaardige trend is het gebruik van stamcellen van een donor die niet helemaal geschikt is. Om het risico op afstoting te verkleinen wordt het stamcelpreparaat dan bewerkt. Er is in dat geval iets meer risico op herval.
Schroyens: 'Deze behandelingen zijn geen eerste optie. Maar als ze voor de patiënt de enige kans op genezing zijn, is er weinig keuze.'

Transplantatie en periode erna

De stamceltransplantatie zelf is niet meer dan een bloedtransfusie. Na een zestal uur vinden de stamcellen hun weg naar de beenderen, waar ze uitgroeien tot nieuw beenmerg. 'Omdat het nieuwe beenmerg zich eerst moet vestigen, zijn patiënten de eerste periode uiterst kwetsbaar voor infecties. Ze verblijven dan in een steriele kamer tot de bloedgetallen hersteld zijn', vervolgt Gadisseur.

Donor lymphocyte infusions (DLI)

Voor patiënten die na een stamceltransplantatie hervallen, is er de nieuwe techniek donor lymphocyte infusions (DLI). De oorspronkelijke donor staat dan bepaalde witte bloedcellen af die de kankercellen alsnog moeten overwinnen.

Leeftijd

De leeftijdsgrens voor stamceltransplantaties schuift op. De oudste patiënt in het UZA was halverwege de zeventig.
'Dat komt doordat we vandaag ook een minitransplantatie kunnen uitvoeren', verklaart Gadisseur. 'Het zieke beenmerg wordt dan maar gedeeltelijk vernietigd, zodat het nieuwe beenmerg zich ernaast vestigt en het oude alsnog kan kapot maken. Je moet dan minder zware chemotherapie geven, waardoor ook ouderen ervoor in aanmerking komen.'

Nevenwerkingen en risico's

De nevenwerkingen van de behandeling zijn vandaag veel beter onder controle dan in de beginjaren.
'Patiënten hebben minder last van braken en misselijkheid, en de slijmvliezen blijven beter gespaard', weet Schroyens. 'Ook zijn er betere mogelijkheden voor kunstmatige voeding, zodat patiënten veel minder gewicht verliezen. Infecties zijn beter te voorkomen, we hebben groeifactoren om de witte en rode bloedcellen te laten aangroeien en er is betere medicatie tegen afstoting.'
Toch zijn de risico's van de behandeling nog altijd hoog. Naast het gevaar op afstoting en infecties zijn er de neveneffecten van de zware chemotherapie en radiotherapie. En er is altijd kans op herval.
'De patiënten moeten erg intensief gevolgd worden. Maar als je de behandeling goed doorstaat, is ze erg efficiënt', zegt Gadisseur. 'Definitieve genezing lukt niet altijd. Maar als iemand onbehandeld nog drie tot vijf maanden te leven heeft, en we kunnen dat verlengen naar drie tot vijf jaar, is dat een succes. En gelukkig zijn er ook patiënten zijn die wel volledig en blijvend herstellen', zegt Schroyens.

Verblijf in isolatiekamer

De eerste weken na een stamceltransplantatie zijn patiënten uiterst gevoelig voor infecties en verblijven ze in een isolatiekamer. Die ziet er vandaag stukken aangenamer uit dan vroeger. Ook werd een aantal al te strikte voorzorgsmaatregelen afgeschaft.
'De isolatiekamers van vroeger waren kleine glazen hokjes met een voortdurende luchtstroom om infecties buiten te houden. Letterlijk alles - zelfs de krant - werd gesteriliseerd. Bezoekers moesten zich volledig omkleden, tot en met overtrekken rond de schoenen', zegt prof. dr. Wilfried Schroyens.
Sinds studies hebben aangetoond dat die maatregelen het infectiegevaar nauwelijks verminderen, is er veel veranderd. De patiënt ligt in een gewone kamer met gefilterde lucht. De luchtfiltering beschermt tegen schimmelinfecties, die de gewone ongefilterde lucht anders zou kunnen aanbrengen. Doordat de hele afdeling onder overdruk staat, kan er geen lucht van buiten naar binnen. Bezoekers moeten alleen nog een mondmasker dragen en de handen desinfecteren.
Patiënten kunnen op hun kamer gebruik maken van een computer, internet en een videotelefoon. Dat alles maakt de periode in isolatie een stuk draaglijker.