Slaaponderzoek bij zuigelingen

Risicofactoren

Wiegendood is het plotse en onverwachts overlijden van een kind jonger dan een jaar, waarbij de doodsoorzaak onverklaard blijft na grondig onderzoek, inclusief een autopsie.
'Bij een gezonde zuigeling wordt wiegendood een zeldzaam fenomeen', stelt professor Van Reempts vast. 'Passief roken is de belangrijkste risicofactor geworden. Het advies om zuigelingen in hun bedje op de rug te leggen wordt vrij goed opgevolgd maar toch worden sommige zuigelingen nog in buikligging dood teruggevonden omdat zij in zijligging te slapen werden gelegd. Behalve passief roken en buikligging is het risico voor wiegendood hoger bij extreem premature kinderen, zuigelingen met een moeder die drugs gebruikte of zuigelingen die tijdens de zwangerschap een groeiachterstand opliepen. Andere factoren die een rol spelen zijn een omgevingstemperatuur van meer dan 20 °C tijdens de slaap en overdadig toedekken.
Het is daarom van groot belang dat ouders bij de geboorte slaapadvies krijgen, onder meer over de correcte slaaphouding, het voedingspatroon en de juiste omgevingstemperatuur. Tips over wat je als ouder kunt doen wanneer het slaappatroon van je kind afwijkt, kunnen op lange termijn slaapproblemen voorkomen.'

Thuismonitor

Ouders van zuigelingen met een verhoogd risico voor wiegendood, zoals prematuren (geboortegewicht <1500 g of een zwangerschapsleeftijd <30 weken) of kinderen van drugverslaafde moeders kunnen na medisch advies gedurende acht weken preventief een beroep doen op een thuismonitor, al dan niet met geheugen. Vervolgens wordt aan de hand van de uitlezing van de monitor, al dan niet in combinatie met een slaaponderzoek, geėvalueerd of verdere monitoring noodzakelijk is. Kinderen van wie het broertje of zusje overleden is aan wiegendood worden doorgaans gemonitord tot een tijdje na de leeftijd waarop het broertje of zusje overleden is. Ook kinderen die al eerder ternauwernood aan wiegendood ontkomen zijn, ALTE (apparent life threatening event) genoemd, of zuigelingen met abnormale resultaten bij het slaaponderzoek kunnen na een medische oppuntstelling een beroep doen op een thuismonitor.
'Het toestel registreert 24 uur op 24 de hart- en ademhalingsfunctie en slaat alarm als die functies te veel afwijken van de standaardwaarden', legt Van Reempts uit. 'Het voordeel van de slaapmonitor is de constante registratie die een duidelijk beeld van het hart-en ademhalingspatroon schetst tijdens de slaap. Ouders zien de "slaapmonitor" vaak als een veiligheid. Als uit de registratie blijkt dat er zich tal van cardiorespiratoire onregelmatigheden voordoen, kan een slaaponderzoek worden overwogen. Het slaaponderzoek, dat onder videobewaking gebeurt, geeft meer informatie over o.a. het echte slaappatroon, het type van ademhaling, zuurstofsaturatie en hartritme. Als er ernstige afwijkingen vastgesteld worden, is bijkomend onderzoek naar de oorzaak noodzakelijk en verlengen we doorgaans de monitorperiode.'

Slaaponderzoek

In tegenstelling tot de monitoring is het slaaponderzoek een momentopname. Het resultaat zegt niets over wat de nacht voordien gebeurde of wat de volgende nacht kan gebeuren. Wel geeft het slaaponderzoek belangrijke informatie over neurologische parameters tijdens de slaap. 'Het slaaponderzoek is geen screeningsinstrument en draagt niet bij tot het voorkomen van wiegendood. Daarom wordt het alleen uitgevoerd voor welbepaalde indicaties', beklemtoont Van Reempts. 'Het slaaponderzoek kan dan een schat aan informatie geven over het slaappatroon. Soms stellen we een onrijp slaappatroon vast, wat er vaak op wijst dat de zuigeling zich nog onrijp gedraagt, of worden epileptische activiteiten, abnormale ademhalingen of hartritmen vastgesteld die bijkomende neurologische-, neus-keel-oor-, of cardiologsiche behandeling vereisen.'

Wanneer is slaaponderzoek nodig?

Volgens registraties van de Vlaamse Administratie Gezondheidszorg overleden in 2004 in Vlaanderen nog 25 zuigelingen aan wiegendood, dat is ongeveer 0,4 ą 0,5 per duizend levengeborenen. Wanneer is een slaaponderzoek wenselijk?

  • zuigelingen die eerder een ALTE doormaakten, d.w.z. ternauwernood aan wiegendood ontsnapten
  • zuigelingen wiens broertje of zusje overleden is aan wiegendood
  • ex-prematuren met zwangerschapsleeftijd van minder dan 31 weken die thuis alarmen blijven doen
  • zuigelingen met een geboortegewicht lager dan 1501 gram, die thuisalarmen blijven doen
  • zuigelingen van druggebruikers die thuis alarmen blijven doen
  • zuigelingen die aangeboren afwijkingen vertonen van het aangezicht die de ademhaling kunnen belemmeren
  • zuigelingen die thuis om een of andere reden gemonitord worden en nog veel alarmen vertonen en waarbij de uitlezing van de monitor onvoldoende verduidelijking kan geven.
  • als preventie bij ziektebeelden waarbij onregelmatigheden in het slaappatroon, ademhaling en hartritme vastgesteld werden of verwacht zouden kunnen worden.