Longtransplantatie
Longtransplantaties zijn voorlopig niet het succesverhaal dat een nier- of harttransplantatie wel is. Doordat het getransplanteerde orgaan voortdurend in contact staat met de buitenwereld, is de kans op infecties groot. Bovendien krijgen bijna alle patiënten vroeg of laat te kampen met chronische afstoting. ‘Definitieve genezing kunnen we de patiënt niet aanbieden, een betere levenskwaliteit wel’, zeggen UZA-artsen prof. dr. Paul Van Schil en dr. Dirk Van Ranst.
Wie komt in aanmerking?
In België worden jaarlijks zo'n zestig longtransplantaties uitgevoerd. In het UZA lag het programma enkele jaren stil, maar werd de draad in 2003 opnieuw opgepikt.
Omdat een longtransplantatie op dit moment nog geen definitieve oplossing is, zijn artsen heel terughoudend om ze als behandeling aan te bieden. Een voorwaarde is dat de patiënt enerzijds nog maar anderhalf tot twee jaar te leven heeft, maar anderzijds nog fit genoeg is om de veeleisende ingreep en revalidatie aan te kunnen.
Concreet gaat het vaak om patiënten die lijden aan emfyseem, een aandoening waarbij de longblaasjes kapot gaan door de schadelijke effecten van roken, of aan longfibrose, een ziekte waarbij de longen verstijven. Ook mensen met mucoviscidose komen in sommige gevallen in aanmerking, evenals patiënten met pulmonale hypertensie, wat zoveel betekent als een te hoge bloeddruk in de slagaders van de longen.
'We dringen zelf nooit echt aan op een longtransplantatie. De patiënt moet er zelf van overtuigd zijn. Alleen heel gemotiveerde mensen komen in aanmerking, want de periode voor en na de ingreep is zowel fysiek als psychologisch zwaar', zegt longarts dr. Dirk Van Ranst.
Voor de transplantatie
Afhankelijk van het ziektebeeld worden één of twee longen tegelijk getransplanteerd. Een geschikt orgaan vinden is geen gemakkelijke zaak, doordat de longen van potentiële donoren in veel gevallen geïnfecteerd blijken.
In afwachting van de transplantatie moet de patiënt gezond leven en aan zijn conditie werken, zodat hij sterk genoeg is om de zware operatie te doorstaan.
Na de transplantatie
Na de ingreep volgt een intensieve revalidatie en moet hij vaak op controle komen. Net als elke transplantatiepatiënt moet hij zich nauwgezet houden aan de voorgeschreven medicatie en hygiënische maatregelen.
Als hij de zware periode na de ingreep goed doorstaat, wint de patiënt heel erg aan levenskwaliteit. Voor de transplantatie is hij er vaak zo slecht aan toe dat hij nauwelijks het huis uit kan en zijn sociaal leven helemaal ziet afbrokkelen. Als hij dan na de transplantatie de draad van zijn leven weer kan oppikken en opnieuw normale activiteiten kan aanvatten, is dat een grote stap vooruit.
'De eerste patiënt die we getransplanteerd hebben, was zo kortademig dat hij geen twee zinnen meer na elkaar kon zeggen. Twee weken na de transplantatie wandelde hij hier gewoon buiten en was hij een echte spraakwaterval', vertelt prof. dr. Paul Van Schil, diensthoofd thorax- en vaatheelkunde.
Chronische afstoting belangrijkste probleem
Op lange termijn zijn de vooruitzichten na een longtransplantatie spijtig genoeg minder rooskleurig. 'De longen staan rechtstreeks in verbinding met de buitenwereld, waardoor ze heel gevoelig zijn voor infecties', legt Van Schil uit. 'Maar hét grote probleem is chronische afstoting, in het medische jargon bronchiolitis obliterans genoemd. Doordat de kleinere luchtwegen van de patiënt ontsteken, gaat zijn longfunctie opnieuw achteruit en kan hij op de duur niet meer ademen.'
Bijna alle longgetransplanteerden krijgen hiermee te maken. In het beste geval duikt het probleem pas na tien jaar op en verloopt het proces heel traag. Maar in het slechtste geval wordt de patiënt er al na twee jaar mee geconfronteerd en raken de longen op korte tijd volledig aangetast.
Van Ranst: 'De enige mogelijke behandeling is een tweede transplantatie. Maar het overgrote merendeel van de patiënten is niet fit genoeg om een dergelijke zware ingreep opnieuw te ondergaan.'
Dat alles maakt dat de overlevingscijfers na een longtransplantatie minder goed zijn dan bij andere orgaantransplantaties. Na vijf jaar is zo'n zestig procent van de patiënten nog in leven, na tien jaar nog maar dertig tot veertig procent.
'De overlevingscijfers gaan er wel geleidelijk op vooruit', nuanceert Van Ranst. 'Er wordt namelijk volop gezocht naar nieuwe medicijnen die de chronische afstoting beter kunnen afremmen. Op dat vlak werden al belangrijke stappen voorwaarts gezet.'
