Fysiotherapeut helpt patiënt weer bewegen


Nauwe samenwerking met dienst fysische geneeskunde

Pijn gaat vaak hand in hand met spier- en gewrichtsproblemen. Daarom is er een nauwe samenwerking tussen het pijncentrum en de dienst fysische geneeskunde. Dijs neemt deel aan de wekelijkse stafvergadering van het pijncentrum en heeft elke twee weken een gemeenschappelijke raadpleging met dr. Guy Hans, anaesthesist en coördinator van het pijncentrum.
Als de behandelende arts van het pijncentrum vermoedt dat een patiënt met een orthopedische aandoening kampt, bijvoorbeeld een chronisch schouderprobleem, verwijst hij deze door naar de dienst fysiotherapie. De fysisch geneesheer probeert dan te achterhalen wat er precies aan de hand is en stelt eventueel een behandeling in met fysiotherapie of infiltraties, inspuitingen die de pijn tijdelijk kunnen opheffen.

Opnieuw leren bewegen

Daarnaast zijn er veel patiënten die via fysiotherapie opnieuw leren bewegen. Nogal wat mensen met chronische pijn worden na verloop van tijd inactief. Velen moeten voor lange of onbepaalde tijd hun job opgeven, een minderheid komt zelfs zijn stoel of bed niet meer uit. In dat geval smelten de spieren weg en gaat de
conditie pijlsnel achteruit, wat de pijn alleen maar verergert.
Bovendien leidt inactiviteit vaak tot sociaal isolement. De patiënt voelt zich daarbij allesbehalve gelukkig, en ook dat heeft een negatieve invloed op de pijnervaring.
'Wij proberen mensen opnieuw tot activiteit aan te zetten', zegt Dijs. 'Dat is niet zo eenvoudig, want doordat de patiënt niet meer gewoon is zijn spieren te gebruiken, voelt hij aanvankelijk nog meer pijn. Om hem de kans te geven een revalidatieprogramma te volgen, moet zijn pijnmedicatie soms tijdelijk opgedreven worden. Maar na die eerste moeilijke fase verminderen vaak hun klachten.'
Concreet helpt de kinesitherapeut de patiënt zijn spieren weer te gebruiken en zijn conditie te verbeteren met behulp van manuele therapie en een aangepast oefenschema. Elke patiënt wordt individueel begeleid.
'We beginnen langzaam aan', aldus Dijs. 'Als mensen lang inactief geweest zijn, mag je ze in het begin niet overdonderen. Anders krijgen ze teveel pijn of zeggen ze al gauw dat kan ik niet. En dan haken ze af. Het is ook belangrijk dat de patiënt de oefeningen juist aanleert. Zoniet krijgt hij nog meer pijn en wordt hij bevestigd in zijn vooroordeel dat hij niets meer kan. Vandaar is het ook essentieel dat mensen begeleid worden.'
De eerste periode komen de meeste patiënten twee of drie keer per week. Nadien wordt dat afgebouwd en komen ze nog regelmatig op controle. Het is de bedoeling dat ze het aangeleerde oefenschema thuis voortzetten.

Beter functioneren

Dijs : 'Zodra mensen weer meer actief worden, zie je dikwijls ook hun levenskwaliteit verbeteren. Als patiënten weer de deur uit kunnen om eens naar het toneel te gaan, een hapje te gaan eten of leuke dingen te doen, krijgen ze opnieuw plezier in het leven. Hun eigenwaarde vergroot en ze zijn blij dat ze weer iets kunnen. Soms creëert dat een sneeuwbaleffect, waardoor ze steeds beter gaan functioneren. Dat is precies wat we willen bereiken.'